De behoefte aan acceptatie kan je onzichtbaar maken.

– Jim Carrey –┬á

Hoe we het nou wenden of keren, wij zijn in ons DNA sociale wezens. En die varen op acceptatie door hun soortgenoten. Om je geaccepteerd te weten, moet je natuurlijk niet teveel afwijken. Toch is het ook zo dat het afwijken, het bijzonder zijn, het juist wel zichtbaar zijn, vaak door ons ook wordt ingezet om juist positief opgemerkt te worden en daarmee geaccepteerd. Onze arbeidsorganisaties zijn vaak ingericht op dit soort principes. Zouden we dat niet anders kunnen doen?

Natuurlijk is het zo dat een overmatige behoefte aan acceptatie je wel degelijk onzichtbaar kan maken. Dat zie je volgens mij ook in het sociale verband dat we ons ‘werk’ noemen. Al mijmerend over deze situatie kwam ik tot twee situaties die zich volgens kunnen voordoen op ons werk.

Als eerste kan de onzichtbaarheid een verademing zijn op het moment dat je in eerste aanvang denkt dat je niet goed genoeg bent. Zorgen dat je je werk keurig doet, zodat je niet negatief bejegend kan worden. Want dat is toch het angstmoment dat je ten koste van veel wilt vermijden. In zo’n situatie gaat de uitspraak over onzichtbaarheid op.

Een tweede situatie is dat je juist pas tevreden bent als je opvalt. Het gevoel geaccepteerd te zijn hangt hier samen met de bevestiging van anderen dat je je positief onderscheidt. Je primaire doel wordt beter presteren. Je bent gewoon onzeker of je het goed genoeg doet en krijgt die bevestiging vrij expliciet op deze manier. En dat heb je nodig om overtuigd te zijn. Op het moment dat je meer tot de gemene deler behoort, kwalificeer je dat zelf als ondermaats. Je vertrouwt jezelf onvoldoende. Paradoxale is dat je positief onderscheiden niet altijd leidt tot acceptatie. Het kan even makkelijk leiden tot jaloezie.

Bij beide voorbeelden gaat het om de acceptatie van buitenaf die de motor is van gedrag. En natuurlijk weten we dat je van jezelf moet uitgaan, dat je goed bent zoals je bent. Wat ik boeiend vind is dat we ons werk zo vaak zo inrichten. Presteren is de centrale as waarlangs we kijken naar elkaar en naar de organisatie. Onze arbeidsorganisaties gaan zo vaak uit van het positioneren van onszelf ten opzichte van elkaar. En dat is in de kern destructief. Want er staat altijd iemand achteraan. En er staat altijd iemand voorop. En heel vaak is dat niet terecht. Zowel niet qua intentie maar ook niet qua competentie.

Hoe vaak is het niet zo dat de leider van de organisatie competenties en vaardigheden mist, die juist te vinden zijn bij de ‘underdogs’ in de organisatie? Het gaat hier niet om een pleidooi voor rolwisseling. Juist niet. Het gaat erom dat we te veel denken in individuen die ‘compleet’ moeten zijn en niet de kracht van de optelsom hanteren. Ik geloof dat de kracht van nieuwe succesvolle organisaties zit in het veel fijnzinniger, flegmatieker en makkelijker weten in te zetten van de competenties en vaardigheden van elkaar. Geen centrale as van presteren maar een vat van competenties en vaardigheden.

Acceptatie komt dan voort uit dat je iets brengt van jezelf dat in de organisatie op dat moment nodig is. Dat principe gaat veel meer uit van iets wat van nature bij iemand hoort. Daardoor is die persoon er ook goed in. Het gaat dus om acceptatie vooraf en niet achteraf.